

„Geen praatjes, vriendje!” voerde de hoofdman hem gebiedend toe.
(Bladz. 10.)


Het was laat in den herfst van het jaar 1420. De zon was reeds lang ondergegaan, zonderzich den geheelen dag ook maar een enkel oogenblik te hebben vertoond. Zij had zichschuil gehouden achter dichte wolken, die door den feilen najaarswind langs het zwerkwerden voortgejaagd, en onophoudelijk haar inhoud, afwisselend uit hagelsteenen enregendroppels bestaande, op het aardrijk nederstortten. De straten van de goede stadHaarlem,—want het is daar, dat ons verhaal een aanvang neemt,—welke in die dagen nogniet met steenen bevloerd waren, konden onmogelijk al het gevallen water opeens verzwelgen,en waren in [...